Column Nic Bruckman
door Nic Bruckman
Als middelbare scholier, in de vorige eeuw, probeerde ik voor het eerst cocaïne. In dé homouitgaansgelegenheid van Nijmegen. Aangeboden door een soldaat van de Britse luchtmachtbasis vlak over de grens, op wie ik indruk probeerde te maken.
Hij heette Benjamin, was belachelijk knap en bleek (tot teleurstelling van mij en vele anderen) exclusief op mannen van boven de zeventig te vallen.
Het voelde alsof je een slok benzine via je neus naar binnen trok. Maar het was heel aardig van hem om het met me te delen. Een uur lang waande ik me de meest mondaine middelbare scholier van Oost-Nederland. Terwijl ik in werkelijkheid gewoon een kleine nerd was.
En omdat het duur was.
100 gulden.
Bijna drie decennia later (Benjamins luchtmachtbasis is inmiddels een Ryanair-hub die zich voordoet als Düsseldorf) is bijna alles in het leven onherkenbaar veel duurder geworden.
Behalve dat grammetje.
Hoe kan dat?
En wat zegt het over onze cultuur dat cocaïne verschoven is van exclusieve luxe naar huis-tuin-en-keuken genotsmiddel?
En toen waren daar de kotters. Vissers die betrokken raakten bij de internationale drugshandel. Ik raakte gefascineerd door het idee van zo’n vissersbootje dat de Noordzee op gaat om ergens midden op zee miljoenen euro’s aan wit poeder in sporttassen op te pikken.
Voor mijn onderzoek mocht ik meevaren met verschillende kotters. Ik mocht ervaren hoe nietig je bent tegenover een zee en een hemel.
Wat me opviel: mijn gastheren zeiden bijna niets tegen elkaar. Ze keken elkaar nauwelijks aan. En toch waren ze perfect op elkaar ingespeeld.
En ondanks die woordeloosheid en het wegkijken waren ze op kleine manieren lief voor elkaar.
Daar, ergens tussen stilte en samenwerking, tussen ruigheid en tederheid, is deze voorstelling geboren.
Ik hoop dat je ‘m komt zien.