'Voor wie werkt het systeem, en voor wie niet?' Iduna Paalman over Vonnis
Binnenkort gaat Vonnis in première, een monoloog geschreven door dichter en schrijver Iduna Paalman.
interview Yentl van Stokkum
Vonnis is geschreven naar aanleiding van een open call, waarom besloot je te reageren?
Een vriendin stuurde mij de open call van Bellevue door. Zij wist van mijn liefde voor theater en dat ik met het idee rondliep om daar weer iets mee te doen. Als tiener heb ik veel gespeeld en ook zelf dingen gemaakt bij een jongerengezelschap, en als student volgde ik een minor theaterwetenschappen. Inmiddels ben ik, naast docent op een middelbare school, ook dichter. Als dichter sta ik vaak op het podium en de dynamiek tussen poëzie en voordracht fascineert me.
Daarnaast had ik zin in een samenwerking. Als dichter ben je vaak solistisch bezig; het leek me bevrijdend en leerzaam om iets te maken dat daarna nog een tweede, derde, vierde leven zou krijgen. Toen ik zag dat het thema ‘systeempijn’ was en dat het een monoloog moest worden voor Betty Schuurman, dacht ik: hier zit een mogelijkheid. Ik vond het spannend, omdat ik dit nog nooit had gedaan, maar ik had er vooral meteen zin in.
Speelde het thema daarin een rol?
Ja absoluut. Ik ging meteen nadenken over systemen die ik van binnenuit ken, en het systeem waar ik al meer dan tien jaar in thuis ben, is het voortgezet onderwijs. Ik ben parttime docent Duits op een middelbare school voor mavo, havo en vwo, ik vind het de leukste baan van de wereld, maar ook de heftigste. Ik kan binnen één uur denken: dit is fantastisch én ik wil niet meer. Het gevoel te willen blijven wint uiteindelijk altijd. Ik vind tieners meestal geweldig en een school is een interessante snelkookpan, een soort micromaatschappij. Daar leer ik veel van en voel ik me geborgen.
Tegelijkertijd zie ik wat er niet werkt of pijn geeft: van beleidskwesties tot ongelijkheid, van werkdruk tot verdrukt idealisme. Meisjes krijgen minder vaak een vwo-advies dan jongens, bleek onlangs uit onderzoek, en leerlingen met een migratieachtergrond volgen vaker een stapelroute dan leerlingen zonder. Hoe werkt dit systeem, vraag ik mij als schrijver en als docent vaak af - voor wie werkt het, en vooral: voor wie niet? Vaak is er weinig tijd of ruimte of geld om er echt iets aan te doen. Omdat ik mijn werk als docent combineer met mijn schrijverschap, heb ik eigenlijk twee banen. Als ik echt iets in het onderwijssysteem zou willen veranderen, zou ik daar niet naast kunnen blijven schrijven, dan zijn die twee lesdagen per week niet genoeg. Maar toen ik deze open call zag, dacht ik: misschien kan ik die werelden binnen dit plan toch aan elkaar koppelen.
Ontstond daaruit Agnes, de rector in Vonnis?
Ja. Omdat Betty Schuurman al geselecteerd was als actrice, wist ik dat ik niet vanuit een leerling zou kunnen schrijven. Dat betekende dat ik, in dit geval, wilde schrijven vanuit een positie van macht. Het leek me het allerinteressantst om maar meteen de hoogste positie van macht binnen een school te onderzoeken: die van de rector.
Vonnis gaat over leerling Zehra, die in de derde klas een havo- in plaats van een vwo-advies krijgt voor haar vervolgtraject. Zij en haar ouders zijn het daar niet mee eens en spannen een rechtszaak aan tegen de school en tegen rector Agnes de Waal. De familie van Zehra heeft een migratieachtergrond en zij vindt dat er niet eerlijk naar haar en haar resultaten gekeken is.
Maar Agnes ziet zichzelf als progressief en feministisch. Ze is trots op het feit dat ze in een mannenwereld haar vrouwelijke leiderschap heeft vormgegeven. Ondertussen is ze zo vergroeid met het systeem dat ze zich blind staart op beleid en beleidstaal. Ze heeft geen idealen meer, maar strategieën. Ze heeft de school van zwakke naar excellente inspectieresultaten gebracht, en is heilig in haar orde gaan geloven.
Herken je iets van haar?
Niet letterlijk, maar ik denk dat stukjes van haar in ons allemaal zitten. Je krijgt een beroep, een rol, en die vervul je dan zo goed mogelijk. In het onderwijs zijn er heel duidelijke rollen: leerling, docent, leidinggevende. De hiërarchie is vanzelfsprekend. Maar tegelijkertijd kan zo’n rol in de weg staan als je écht goed naar iemand wilt kijken. Een systeem is geen los gebouw waar je als mens in of uit kunt bewegen. Je kunt ook het systeem worden.
Daarnaast vind ik de taal van systemen waanzinnig interessant. Dat is een rode draad in al mijn werk, ook in mijn poëzie. De taal van het onderwijssysteem is zowel prachtig als verschrikkelijk. Het is vaak smorende taal, maar het legt ook bloot hoe beleid en procedures werken. Agnes is voormalig docent Nederlands en houdt van taal, maar die taal heeft haar ook in de tang. Want in al die determinatieregelingen en kernvakregelingen en slaag-zakregelingen en overgangsregelingen en doorstroomregelingen verzuipt zij. Op een gegeven moment vraagt ze zich af: is dit waarvoor de taal bedoeld is? Voor wie is de taal eigenlijk? Hoeveel macht heeft ze door de taal die haar gegeven is? Agnes kan die taal beetpakken en gebruiken zoals ze wil. Dat vind ik interessant: hoe taal een machtsmiddel kan zijn.
Tegelijkertijd wilde ik voorkomen dat het een te taaldichte toneeltekst zou worden. Ik wilde dat het echt theater zou zijn.
Hoe heb je dat bewaakt?
Ik heb heel veel gehad aan de regisseur Zephyr Brüggen en onze dramaturg Thomas Lamers. Ik zat daar met mijn talige fascinaties en poëtische vondsten, maar wist niet altijd hoe iets speelbaar zou worden. Zij bleven vragen: waar zit de pijn, waar zit de macht, waar schuurt het?
Ik wil dat de onderwijstaal uiteindelijk een soort vreemdkoppig monster wordt dat Agnes verzwelgt. Ik wil dat ze zo verstrikt raakt in die taal dat ze gek wordt. Maar die gekte kan ik niet schrijven. Die moet gespeeld worden. Ik kijk daar enorm naar uit. Ergens zou ik willen dat ik het ook in taal kon vatten, maar dan ben ik bang dat ik er een dichtbundel over zou moeten schrijven.
Hoe voelt het om de tekst nu los te laten?
Inmiddels zijn de repetities begonnen en verschuift er weer het een en ander. Er kunnen dingen worden geschrapt die bijvoorbeeld ook zonder tekst gespeeld kunnen worden. Dat is fascinerend. Wanneer je een toneeltekst aanlevert, maak je eigenlijk een halfproduct. Ik vind het op een goede manier complex dat ik geen volledige controle heb over wat er uiteindelijk met de tekst gebeurt.
Ben je van plan vaker toneelteksten te schrijven?
Ik vind deze ervaring fantastisch en voel me tegelijkertijd een brugger. Poëzie voelt veiliger; daar heb ik alle touwtjes in handen. Maar ik zou het geweldig vinden als dit een startpunt kan zijn. Het feit dat een toneeltekst een begin is en daarna nog volgende levens krijgt, levert me een nieuwe manier van schrijven op die me past.
Maar ik hoop vooral dat Vonnis iets in beweging kan zetten. Ik zie dagelijks leerlingen die nog niet goed gezien worden. Dat ligt niet per definitie aan individuele docenten; de meesten werken keihard om leerlingen juist in hun volledigheid zien. Door de manier waarop het systeem is ingericht, lukt dat soms niet. En ik denk dat theater enorm geschikt is om een dergelijk onderwerp aan de kaak te stellen, juist omdat het uitnodigt tot gesprek.