Column Raymi Sambo
Soms vraag ik me af hoeveel we nog moeten incasseren voordat we zeggen: genoeg!
Ik ben een kind van de jaren negentig. Ik heb meegemaakt dat Amsterdam werd gezien als de ‘gay capital’ van de wereld. Er was een gevoel van vrijheid. Alsof we iets hadden bereikt. Alsof Nederland had besloten: hier mag je zijn wie je bent. Misschien zijn we daardoor een beetje gaan geloven dat deze vrijheid vanzelfsprekend is.
Maar vrijheid is nooit vanzelfsprekend.
Dat is misschien wel de belangrijkste gedachte waarmee ik aan Wachten op Marsha ben begonnen. Niet vanuit de behoefte om met een opgeheven vingertje te vertellen hoe het moet. Wel vanuit boosheid. Vanuit de constatering dat queer mensen opnieuw in een hoek worden geduwd. Dat geweld en uitsluiting toenemen, terwijl we onszelf nog steeds graag vertellen dat Nederland tolerant is.
Tijdens de repetities voor Wachten op Marsha zag ik die boosheid iedere dag terug. We schreeuwen, we bewegen, we botsen. Soms lijkt de repetitieruimte meer op een demonstratie dan op een theaterzaal. En eigenlijk is dat precies wat ik wil. Theater is mijn manier van demonstreren.
Marsha P. Johnson is daarbij voortdurend aanwezig. Niet letterlijk op het toneel, maar als een soort vraag die boven ons hangt. Wat zou zij doen? Zou ze bang zijn geweest? Zou ze hebben getwijfeld? In 1969 stonden Marsha en anderen op tegen een systeem dat hen vertelde dat ze niet mochten bestaan. Uit die strijd ontstond uiteindelijk de beweging die we nu kennen als Pride.
Maar wat gebeurt er als een strijd die ooit begon als protest langzaam verandert in een feest? Natuurlijk mogen we vieren wie we zijn. Ik ben daar niet tegen. Maar ik wil niet vergeten waarom we ooit de straat op gingen.
Tegelijkertijd gaat Wachten op Marsha niet alleen over de strijd met de buitenwereld. Ik houd mezelf en onze gemeenschap ook een spiegel voor. Want we zijn het lang niet altijd met elkaar eens. De een wil demonstreren, de ander wil onderhandelen. De een vindt dat we harder moeten schreeuwen, de ander vraagt zich af of we daarmee niet te ver gaan.
Maar misschien hoeven we niet te kiezen.
Wat mij zorgen baart, is dat we elkaar soms kwijtraken in onze verschillen, terwijl we uiteindelijk hetzelfde willen: een wereld waarin queer mensen net zoveel ruimte krijgen als ieder ander. Als we elkaar blijven bestrijden over de manier waarop we daar komen, halen we die eindstreep nooit.
De titel Wachten op Marsha verwijst natuurlijk ook naar Wachten op Godot. Maar ik geloof niet in wachten. Je kunt wachten op een verandering, op een revolutie, op iemand die het voor je gaat doen. Maar ondertussen gebeurt er niets.
Dus wacht ik niet op Marsha.
Ik probeer te luisteren naar wat ze ons heeft nagelaten.
En misschien is dat wel de belangrijkste vraag die ik het publiek wil meegeven als het licht aangaat:
Wat ga jij doen?